Onze Jongens in Indië

Door: Henry Tankink

De presentatie begon met een bijzondere uitvoering van ‘Indonesia Raya’, het Indonesische volkslied.

Het refrein van het Indonesische volkslied:

Indonesia Raya
Merdeka, Merdeka
Tanahku, negriku yang kucinta
Indonesia Raya
Merdeka, Merdeka
Hiduplah Indonesia Raya

Vertaald:

Groot Indonesië
vrij, onafhankelijk
Mijn thuis, mijn land dat ik liefheb
Groot Indonesië
vrij, onafhankelijk
Leve Groot Indonesië

Het lied wordt gezongen door een kind. En zo keek de Nederlandse regering destijds ook aan tegen de inheemse bevolking van Nederlands-Indië. Die werd gezien als onvolwassen en (nog) niet in staat om zichzelf succesvol te besturen. Voorlopig zou de helpende hand van Nederland nog hard nodig zijn en was onafhankelijkheid voor Indië dus ondenkbaar.

Het filmpje laat mooi zien hoe de Indonesische bevolking eensgezind het vrijheidsideaal omarmt. En dat was ook al het geval in de periode kort na 1945. Nederland wilde het niet zien, maar de jongemannen die naar Indië werden gestuurd merkten het gauw genoeg.

De presentatie was aangekondigd in de ELNA van woensdag 27 februari 2019.

Dit zijn de foto’s waarover in het ELNA artikel wordt gesproken.

Na de introductie werd een overzicht gegeven van de geschiedenis van Nederlands-Indië vanaf 1596. Daarbij is gebruik gemaakt van veel afbeeldingen, audio- en videomateriaal. Hierna volgt een overzicht van een groot deel daarvan, met telkens enige toelichting.

De specerijenhandel en de bloeitijd van de VOC (Verenigde Oost-Indische Compagnie) kwam pas na 1596 op gang. Hoewel af en toe bloedig geweld gebruikt werd was van het bezetten van héél Indië nog geen sprake. Dat was voor de handel niet nodig.

Hierin kwam verandering in de negentiende eeuw, toen de VOC niet meer bestond en de Nederlandse regering Indië meer en meer als een kolonie ging behandelen. Steeds meer Nederlanders vestigden zich in Indië en stichtten daar plantages en andere bedrijven, die dienstbaar waren aan de economische ontwikkeling van het moederland.

Onderstaand kaartje geeft daarvan een goed beeld.

Hoe de Nederlanders heel Indië bezet hebben is goed te zien in een aangrijpende scene (niet geschikt voor jeugdige kijkers) in de film Max Havelaar uit 1976. De hele film is de moeite waard, maar de bedoelde passage (die ook in de presentatie werd gebruikt) duurt ongeveer van 2:28:40 tot 2:32:00.      

Het veroveren werd gedaan door het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger), dat voor zo’n 20% uit Europeanen bestond en voor de rest uit inheemse soldaten. Hun optreden is vergelijkbaar met (bijvoorbeeld) hoe het Amerikaanse leger in dezelfde eeuw het ‘Wilde Westen’ in bezit nam, ten koste van de inheemse bevolking (de ‘Indianen’). Zoiets werd in die tijd als gerechtvaardigd en min of meer normaal beschouwd.

Rond 1930 werden zo’n 50 miljoen inheemsen, met behulp van 37.000 man KNIL, overheerst door 60.000 Nederlanders en 160.000 ‘Indo’s’ (kinderen van Europese vaders en inheemse moeders).

Hoe paradijselijk Indië toen op het eerste gezicht was toont dit filmpje uit 1941 (kort voordat Japan binnenviel en ook hier de Tweede Wereldoorlog begon).

In de presentatie is alleen de passage van 6:20 tot 11:20 gebruikt, ondersteund door toe-passelijk klinkende muziek (alleen de audio) van:

In werkelijkheid was het nationalistisch verzet, vooruitlopend op wat na 1945 zou komen, al volop aan de gang. Leiders als Soekarno en Hatta zaten regelmatig gevangen en vooral de inheemse jeugd keerde zich meer en meer af van de ‘Belanda’s’ (zoals ze de ‘Hollanders’ noemden). Dat laatste is mooi weergegeven in een passage uit de film Oeroeg uit 1993.

De bedoelde scene duurt ongeveer van 1:20:30 tot 1:22:10, maar de hele film geeft een goed beeld van de verhoudingen en gebeurtenissen in Nederlands-Indië kort vóór en vlak ná de Tweede Wereldoorlog.   

Een adequate samenvatting van de bemoeienis van Nederland met het latere Indonesië in de jaren 1945-1950 biedt deze documentaire.

De toestand in Nederland vlak na de Tweede Wereldoorlog wordt hierin behandeld, in samenhang met het optreden van de Nederlandse regering die vreesde dat Indië ‘verloren’ zou gaan. In de presentatie zijn alleen enkele passages hieruit gebruikt, maar de documentaire is als geheel zeer aanbevelenswaardig.

In de propaganda van de Regeringsvoorlichtingsdienst (voorloper van de Rijksvoorlichtings-dienst) werd gesuggereerd dat de Nederlandse militairen in Indië werden ontvangen als vrienden en bevrijders. Een mooi voorbeeld hiervan was te zien in de hiervoor genoemde documentaire, ongeveer van 41:50 tot 42:40.

De werkelijkheid was anders, zoals bijvoorbeeld te zien is in gedeelten van twee (door henzelf gemaakte) filmpjes van het optreden van Nederlandse mariniers op Oost-Java, 1945-‘46.

In de presentatie is alleen het eerste filmpje gebruikt, ongeveer van 8:35 tot 11:10.

In 1969 sprak Indiëveteraan Joop Hueting als eerste over oorlogsmisdaden die in Indië waren begaan. Dat leverde hem bijval op van enkele collega’s, maar ook doodsbedreigingen voor hem en zijn gezin. De meeste veteranen deden er liever het zwijgen toe; ze wisten dat Hueting gelijk had, maar ze praatten er niet graag over.

Na zijn overlijden in 2018 was Joop Hueting weer heel even landelijk nieuws:

Dat Hueting de waarheid had gesproken wisten insiders in 1969 allang, maar ‘de samenleving’ was er blijkbaar nog niet aan toe. En zelfs toen Rémy Limpach in 2016 met zijn boek De Brandende Kampongs van Generaal Spoor kwam, wist de regering blijkbaar niets beters te bedenken dan een nieuw onderzoek te laten doen, om erkenning van de ongemakkelijke waarheid nog maar weer wat verder voor zich uit te schuiven.

Limpach toonde na jarenlang minutieus wetenschappelijk onderzoek overtuigend aan dat oorlogsmisdaden in Indië niet enkel excessen waren, maar dat sprake was geweest van systematisch en extreem gewelddadig optreden. De verantwoordelijkheid hiervoor legt hij vooral bij de leidinggevenden, die handelden in de tradities van het KNIL (denk aan het eerder besproken fragment uit de film Max Havelaar). Deze vuurvreters beschouwden de dienstplichtige jongens uit Nederland gewoonlijk als een blok aan hun been; veel te soft en eigenlijk onbruikbaar voor de strijd tegen de fanatieke nationalisten. Limpach meent dan ook dat we het overgrote deel van de Indië-veteranen niet als oorlogsmisdadigers mogen zien. Ze werden tegen wil en dank een oorlog in gesleurd en kwamen daar ook nog eens tussen twee vuren te zitten. Hoeveel keus heb je dan als je het er levend af wilt brengen?   

Voor wie een geschikt boek hierover wil lezen is De Brandende Kampongs overigens geen aanrader. Het is met zijn uitvoerig notenapparaat en vele verwijzingen een typisch wetenschappelijke publicatie; heel goed bruikbaar als naslagwerk, maar (ook door zijn omvang van 870 bladzijden) geen plezierig leesboek.

Twee boeken, uit het enorme aanbod over het onderwerp, die ik wel kan aanbevelen:

Op klompen door de Dessa (uit 2015) vertelt de verhalen van een kleine twintig Friese Indië-veteranen, opgetekend door een schrijver die ons door de ogen van die veteranen laat kijken. Ik vermoed dat de belevenissen van de Achterhoekse en dus ook de Harreveldse veteranen hier niet noemenswaardig van zullen hebben afgeweken. De verhalen zijn heel verschillend en over het algemeen zeer verhelderend. Sommige zijn ronduit hartverscheurend.

Liefde in Tijden van Oorlog (uit 2013) gaat over de naar schatting 7000 kinderen die geboren zijn uit relaties tussen Nederlandse militairen en inheemse vrouwen en meisjes. Veel van die kinderen kenden hun vader alleen van een vergeeld fotootje en hebben soms zelfs tevergeefs geprobeerd in contact te komen met hun biologische familie in Nederland.

De schrijfsters van het boek hebben heel wat van die kinderen gesproken, en soms ook een of beide ouders. Behalve een fascinerend boek leverde hun project ook een website op, om dit soort contacten te bevorderen:   https://oorlogsliefdekind.nl/

Al eerder stelden ze het onderwerp aan de orde in een uitzending van Andere Tijden uit 2010:

https://anderetijden.nl/programma/1/Andere-Tijden/aflevering/231/Tuan-Papa

Een lezenswaardig boek over de Indië-veteranen uit de vroegere gemeente Lichtenvoorde is: Henny Bennink, Bezetting en Verzet II, uitgeverij Fagus, IJzerlo 2007, vanaf pagina 81.

De tien Harrevelders die in Nederlands-Indië vochten

Andere Harrevelders die in Nederlands-Indië verbleven

Hendrik Wolters en Anna Waenink (in Harreveld beter bekend als Lindebooms Hendrik en Platen Hanne) vertrokken begin 1919 voor hun ‘grote avontuur’, zoals ze dat zelf noemden. Wolters ging werken voor het KNIL, eerst als militair, later als burger (werktuigkundige). In 1948 keerden ze voorgoed terug naar Nederland en vestigden zich weer in Harreveld. Over hun belevenissen schreef Wolters een boek dat hij in eigen beheer uitgaf.

Riek Stoltenborg of zuster Maria Gerardiana (in Harreveld beter bekend als Weggelas Drika) vertrok in 1934 naar Indië, om daar als onderwijzeres te werken. Ze werd zelfs Indonesisch staatsburger in de tijd van Soekarno, om niet het land uitgezet te worden. In 1972 keerde ze uit vrije wil definitief terug naar Nederland.

Gerda van den Berg werd in 1940 als Gerda Poos geboren op het eiland Banka, ten oosten van Zuid-Sumatra. Haar vader werd in 1941 gemobiliseerd om te vechten tegen Japan, dat Nederlands-Indië aanviel en bezette. Hij werd krijgsgevangen genomen, kwam als dwangarbeider terecht in een mijn in Japan en overleed daar in 1943.

https://oorlogsgravenstichting.nl/persoon/121543/alphonsus-petronella-poos

Gerda heeft haar vader dus eigenlijk nooit gekend. Met haar grootouders verhuisde ze naar Nederland. Later kwam ze min of meer bij toeval terecht in Harreveld, waar ze samen met haar man al vele jaren woont.

De enige foto die Gerda Poos heeft van zichzelf samen met haar vader (1940).

Twee Harreveldse dienstplichtigen in Nieuw-Guinea

Het drama van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog kreeg nog een staartje tussen 1960 en 1962. Toen voormalig Nederlands-Indië in 1949 onafhankelijk werd, bleef Nieuw-Guinea onder Nederlands bestuur. Maar Soekarno zou niet rusten voordat ook ‘Irian Barat’ (zoals hij het noemde) bij Indonesië werd gevoegd.

Dat gebeurde uiteindelijk in 1963. Kort daarvoor kwam het nog bijna tot een nieuwe oorlog met Nederland. Onder de duizenden Nederlandse dienstplichtigen, die toen naar Nieuw-Guinea werden gestuurd, waren ook:

Bennie Diks
Fons Krabben

Tot slot

De presentatie werd afgesloten door stil te staan bij de slachtoffers van de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog, en speciaal bij een van hen.

Aantallen slachtoffers in Nederlands-Indië, 1945-1950:

Indonesische burgers en militairenca. 100.000
Nederlandse burgers5.000 à 30.000
Nederlandse militairen4.751

Eén Harreveldse dienstplichtige keerde niet terug uit Indië. Aloys Tankink sneuvelde op 20 januari 1947, amper drie weken na zijn eenentwintigste verjaardag. Hij werd beschoten tijdens een patrouille in een jeep en overleed aan zijn verwondingen in het hospitaal in Semarang. De familie kreeg via burgemeester en pastoor te horen dat hij was bezweken aan malaria. Later kwam dankzij toenmalige strijdmakkers de ware doodsoorzaak aan het licht, maar officiële instanties hebben die nooit kunnen of willen bevestigen.

Voor alle slachtoffers, en speciaal voor Aloys Tankink, werd (een gedeelte van, alleen de audio) ‘The Last Post’ ten gehore gebracht.

Om het publiek niet helemaal in mineur naar huis te laten gaan werd daarna (alleen de audio van) ‘Arm Den Haag’ afgespeeld.

https://www.youtube.com/watch?v=-q2cjMKG1mI

Op verzoek van de presentator werd het refrein zachtjes meegezongen door de aanwezigen:

Ach kassian, het is voorbij, kassian, het is voorbij
Den Haag, Den Haag, de weduwe van Indië ben jij

Veldnamen

Klik hier om direct naar het veldnamen overzicht te gaan.

Wat zijn veldnamen?

Mensen geven overal namen aan. Dat is een manier om de dingen uit elkaar te houden, om te laten zien dat je ze goed kent of dat ze jouw eigendom zijn. Ook stukken land krijgen gewoonlijk een naam. In zo’n geval spreken we van veldnamen; niet te verwarren met erf- of boerderijnamen. Deze beschrijving is ontleend aan M. Schönfeld, Veldnamen in Nederland Alle voorbeelden in de volgende tekst zijn veldnamen die (ook) in Harreveld voorkomen.

Er zijn vele soorten veldnamen. Sommige geven de hoge of lage ligging aan. Harreveldse voorbeelden hiervan zijn ‘t Hogestukke , de Laegte en Hammengat . Andere zeggen iets over de bodemgesteldheid. Kostverloren, bijvoorbeeld, betekent niet-erg-vruchtbaar.

Soms verwijzen veldnamen naar de (vroegere) begroeiing van het perceel, bijvoorbeeld ‘t Heetland (heide), ‘t Russenland (biezen) en Weggelas zienen pos (gagel), of hebben ze te maken met het (vroegere) gebruik ervan, zoals d’n Akker, d’n Reuvenkamp Ooimansweide.

Er zijn ook namen die aangeven welke dieren er in het gebied huisden (of huizen), zoals d’n Moezenbulte, de Knienenwrange en de Kranemaot, of er werden (of worden) geweid, bijvoorbeeld de Koomaot, d’n Schaopenbulte of ‘t Hengstenslat.

Weer andere zijn ontleend aan de vorm van het land, zoals ‘t Breë-ende, d’n Hollenkamp, Trienentute en ‘t Veugelstrik , aan de grootte van het perceel, bijvoorbeeld Möllaszaod (een mölder is 4 schepel), of aan de positie, bijvoorbeeld d’n Egterstenkamp en ‘t Oosterstukke.

In veldnamen blijft soms ook de naam van de (vroegere) eigenaar of gebruiker bewaard, zoals in Mellinkriette , Geeskes-Mienekensbos Toebeskamp, Baertenbulte en Keizersweide .

Veldnamen bevatten dus een schat aan informatie. Helaas zijn ze, onder meer door de ruilverkaveling in de jaren 1970, langzamerhand wat in onbruik geraakt. Alleen al omdat ze zo’n geweldige bron van historische kennis van de streek zijn, mogen ze niet verloren gaan.

Hoe zijn de Harreveldse veldnamen bewaard gebleven?

Het meeste verzamelwerk is gedaan in 1983 en 1984. Met oude kadasterkaarten onder de arm ging ik op bezoek bij mensen van wie ik veel informatie verwachtte. Meestal stelden ze mij niet teleur. Ik kon heel wat veldnamen op de kaarten noteren. Vaak vertelden die informanten nog veel méér over vroeger. Voor zover mogelijk heb ik dit verwerkt in hoofdstuk 4 (dat verder vooral gaat over boerderij- en familienamen en dus strikt genomen niet echt bij het onderwerp hoort). Ik denk met genoegen terug aan de gesprekken van toen, want ik heb er heel veel van opgestoken.

Toen ik in 1983 begon met verzamelen was ik werkloos en had dus tijd genoeg. Later kwam daar verandering in. Meer dan vijftien jaar lang bleven de kaarten in een doos opgeborgen. Pas in het jaar 2000 kwamen ze weer tevoorschijn en toen ontstond ook het idee voor deze publicatie. De inventarisatie is indertijd nauwgezet en grondig aangepakt, maar dat garandeert natuurlijk nog niet dat hij feilloos en volledig is. Deze publicatie voorkomt in elk geval dat de toen-verzamelde kennis verloren gaat. Aanvullen en verbeteren kan altijd nog. Uw reacties zijn (ook om die reden) van harte welkom op: h.tankink1@chello.nl

Ik draag deze pagina’s op aan mijn toenmalige informanten. Hun namen staan hieronder genoemd. Alleen dankzij hun medewerking heb ik dit kunnen maken. Inmiddels zijn de meesten van hen niet meer in leven, zodat ze het resultaat nooit hebben kunnen zien. Maar ik geloof vast dat ze er trots op zouden zijn geweest.
Ook ben ik dankbaar voor de hulp van Erik Rietberg. Hij wees mij de weg wanneer ik verdwaalde in computerland. Waar zou een digibeet zijn zonder whizzkid?